Uitspraak
Datum uitspraak: 2 december 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk verleende op 10 juli 2018 een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het realiseren van een vrijstaand bijgebouw op haar perceel, in strijd met het bestemmingsplan. De eigenaar van het aangrenzende perceel, wederpartij, maakte bezwaar tegen de vergunning vanwege de nabijheid van het gebouw tot zijn perceelsgrens en de nadelige invloed op zijn woon- en leefklimaat.
De rechtbank oordeelde dat het college onjuist had gehandeld door de vergunning te verlenen zonder de juiste toepassing van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en vernietigde het besluit. Het college stelde echter dat de vergunning was verleend op grond van artikel 4 van Pro bijlage II van het Bor, voor het afwijken van het bestemmingsplan, en dat artikel 2 niet Pro van toepassing was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van wederpartij ongegrond. De Afdeling oordeelde dat het college terecht de vergunning had verleend op grond van artikel 4 van Pro bijlage II van het Bor en dat de voorwaarde dat het totale oppervlak van bijgebouwen niet meer dan 200 m2 bedraagt, werd nageleefd. Ook werd geoordeeld dat het college voldoende rekening had gehouden met de belangen van wederpartij door een dichte erfafscheiding te verplichten, waardoor de aantasting van privacy en visuele hinder niet onaanvaardbaar was.
Hierdoor blijven de besluiten van 10 juli 2018 en 14 mei 2019 in stand en is de zaak definitief beëindigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waardoor de omgevingsvergunning in stand blijft.