Uitspraak
Datum uitspraak: 23 december 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Bij besluit van 30 augustus 2016 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat de veilige gebruiksruimte voor gaswinning onder de Waddenzee voor de periode 2016-2021 vastgesteld, wijziging van het eerdere instemmingsbesluit uit 2013. Appellanten, waaronder de Waddenvereniging, stelden dat het besluit onrechtmatig was vanwege onvoldoende rekening houden met ecologische kwetsbaarheid, mogelijke overschrijding van de gebruiksruimte door bodemdaling en onderschatting van de zeespiegelstijging.
De minister volgde een procedure die deels in strijd was met de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar de Afdeling oordeelde dat dit gebrek niet leidde tot benadeling van belanghebbenden en het besluit daarom in stand kon blijven. De beroepen werden als tijdig en ontvankelijk beoordeeld, waarbij belanghebbenden voldoende betrokken waren.
Inhoudelijk oordeelde de Afdeling dat de vastgestelde gebruiksruimte gebaseerd was op een realistisch en conservatief scenario voor zeespiegelstijging en bodemdaling, en dat het voorzorgsbeginsel adequaat was toegepast. De tijdsafhankelijke bodemdaling werd juist betrokken bij de toetsing, niet bij de vaststelling van de gebruiksruimte. De door appellanten aangevoerde hogere zeespiegelstijging en mogelijke toekomstige overschrijding werden onvoldoende onderbouwd.
De Afdeling verklaarde de beroepen ongegrond, bevestigde de rechtmatigheid van het besluit en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten aan de Waddenvereniging en anderen.
Uitkomst: De beroepen tegen het besluit tot vaststelling van de gebruiksruimte voor gaswinning onder de Waddenzee zijn ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.