ECLI:NL:RVS:2020:3094
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over handhaving bouwbesluit en proceskostenvergoeding
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde op 25 juli 2018 aan appellant een last onder dwangsom op wegens gebreken aan het pand op twee percelen in Utrecht, vanwege overtreding van artikel 3.25, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en herroept het besluit, omdat handhaving onevenredig werd geacht. Appellant stelde dat de overtredingen al waren hersteld bij oplegging van de last.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden, omdat het niet had vastgesteld dat de overtredingen nog bestonden op het moment van oplegging. De rechtbank had ten onrechte geconcludeerd dat handhaving onevenredig was, terwijl het college überhaupt niet bevoegd was zonder vaststelling van overtreding.
Daarnaast oordeelt de Afdeling dat de rechtbank onterecht geen proceskostenvergoeding toekende voor het bijwonen van de hoorzitting door de advocaat van appellant. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze het college veroordeelde tot betaling van proceskosten, en de Afdeling stelt zelf de proceskosten vast die het college aan appellant moet vergoeden, inclusief griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.