ECLI:NL:RVS:2020:337
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen voorgenomen uitzetting vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk bij besluit van 14 januari 2020. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 30 januari 2020 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.
De vreemdeling verzocht specifiek om te bepalen dat zijn voorgenomen uitzetting op 3 februari 2020 om 8:10 uur niet zou plaatsvinden. De voorzieningenrechter overwoog dat de termijn voor het hoger beroep nog niet was verstreken en besloot daarom bij wijze van ordemaatregel de voorgenomen uitzetting opgeschort te laten worden. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris de proceskosten van de vreemdeling, ter hoogte van €525,00, moet vergoeden.
De uitspraak werd gedaan op 31 januari 2020 door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos, in aanwezigheid van griffier G.A. van de Sluis. De voorlopige voorziening geldt totdat de voorzieningenrechter uitspraak doet over het resterende deel van het verzoek na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep.
Uitkomst: De voorgenomen uitzetting van de vreemdeling op 3 februari 2020 is opgeschort en de staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.