ECLI:NL:RVS:2020:345

Raad van State

Datum uitspraak
5 februari 2020
Publicatiedatum
5 februari 2020
Zaaknummer
201808028/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken individuele beoordeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 februari 2017 de aanvragen van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 29 september 2017 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen op 6 september 2018 eveneens ongegrond.

De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de staatssecretaris geen individuele beoordeling had gemaakt van de aanvragen. Dit was een eerdere rechtsvraag die de Afdeling reeds had beantwoord in een uitspraak van 31 januari 2020.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 29 september 2017. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdelingen. Het hoger beroep werd daarmee toegewezen vanwege het ontbreken van een juiste individuele beoordeling door de staatssecretaris.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens het ontbreken van een individuele beoordeling.

Uitspraak

201808028/1/V1.
Datum uitspraak: 5 februari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 september 2018 in zaak nr. 17/15337 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 29 september 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. H. Jonker, advocaat te Lemmer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdelingen in grief 2 hebben aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.    Wat de vreemdelingen in grief 1 aanvoeren gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 31 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:329). Uit die uitspraak volgt dat de vreemdelingen terecht aanvoeren dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ten onrechte geen individuele beoordeling heeft gemaakt.
De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 29 september 2017 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 september 2018 in zaak nr. 17/15337;
III.    verklaart het beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van 29 september 2017, V-nummers […] en […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.
w.g. Sevenster    w.g. Van Es
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2020
826.