ECLI:NL:RVS:2020:345
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken individuele beoordeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 februari 2017 de aanvragen van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 29 september 2017 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen op 6 september 2018 eveneens ongegrond.
De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de staatssecretaris geen individuele beoordeling had gemaakt van de aanvragen. Dit was een eerdere rechtsvraag die de Afdeling reeds had beantwoord in een uitspraak van 31 januari 2020.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 29 september 2017. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdelingen. Het hoger beroep werd daarmee toegewezen vanwege het ontbreken van een juiste individuele beoordeling door de staatssecretaris.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens het ontbreken van een individuele beoordeling.