ECLI:NL:RVS:2020:361
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit minister wegens onvoldoende motivering en nieuwe beslissing opgelegd
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 5 februari 2020 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen het besluit van de minister voor Rechtsbescherming van 7 februari 2018. Eerder was in een tussenuitspraak van 24 juli 2019 de minister opgedragen het besluit toereikend te motiveren of een ander besluit te nemen.
De minister heeft het besluit nader gemotiveerd, maar de Afdeling oordeelt dat deze motivering onvoldoende is. De minister heeft de vrijspraak van appellant door het gerechtshof Den Haag niet adequaat betrokken en heeft niet duidelijk gemaakt op welk bewijs de eerdere veroordeling was gebaseerd. Ook is niet aangetoond dat de geregistreerde verkeersdelicten het besluit kunnen dragen.
Daarom wordt het besluit vernietigd en moet de minister binnen zes weken een nieuw besluit nemen, waarbij rekening gehouden moet worden met de vrijspraak en de rechtmatigheid van het eerdere besluit. Tevens wordt bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is.
Tot slot veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht. Hiermee wordt het geschil efficiënt en rechtvaardig afgewikkeld.
Uitkomst: Het besluit van de minister wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met vergoeding van proceskosten.