ECLI:NL:RVS:2020:411
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten na niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris heeft bij besluit van 27 november 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging vervolgens in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State constateerde dat de staatssecretaris in het besluit niet is ingegaan op een brief die de vreemdeling bij zijn zienswijze had overgelegd, wat een motiveringsgebrek opleverde. De rechtbank had dit motiveringsgebrek moeten sanctioneren door de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond en vernietigde het deel van het vonnis van de rechtbank waarin geen proceskostenvergoeding werd toegewezen.
De uitspraak van de rechtbank werd voor het overige bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op € 1.575,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hoger beroep werd uitgesproken op 10 februari 2020.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling wegens motiveringsgebrek.