ECLI:NL:RVS:2020:411

Raad van State

Datum uitspraak
10 februari 2020
Publicatiedatum
11 februari 2020
Zaaknummer
201909350/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:22 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten na niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris heeft bij besluit van 27 november 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging vervolgens in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State constateerde dat de staatssecretaris in het besluit niet is ingegaan op een brief die de vreemdeling bij zijn zienswijze had overgelegd, wat een motiveringsgebrek opleverde. De rechtbank had dit motiveringsgebrek moeten sanctioneren door de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond en vernietigde het deel van het vonnis van de rechtbank waarin geen proceskostenvergoeding werd toegewezen.

De uitspraak van de rechtbank werd voor het overige bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op € 1.575,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hoger beroep werd uitgesproken op 10 februari 2020.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling wegens motiveringsgebrek.

Uitspraak

201909350/1/V3.
Datum uitspraak: 10 februari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 december 2019 in zaak nr. NL19.28858 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 23 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M. Suurmeijer-Wawoe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De vreemdeling klaagt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.
1.1.    De rechtbank heeft in de uitspraak overwogen dat de staatssecretaris in het besluit van 27 november 2019 niet is ingegaan op de brief die de vreemdeling bij zijn zienswijze heeft overgelegd. De rechtbank heeft dit aangemerkt als een motiveringsgebrek en dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd. Gelet op het geconstateerde gebrek had zij de staatssecretaris moeten veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling opgekomen proceskosten.
De grief slaagt.
2.    Wat de vreemdeling verder aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover zij de staatssecretaris niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 december 2019 in zaak nr. NL19.28858, voor zover de rechtbank de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. Vonk
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2020
345-846.