ECLI:NL:RVS:2020:475

Raad van State

Datum uitspraak
17 februari 2020
Publicatiedatum
17 februari 2020
Zaaknummer
202000915/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 56 Vw 2000Art. 84 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State inzake hoger beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel vreemdelingen

In deze zaak hebben vreemdelingen, mede voor hun minderjarige kind, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin hun beroep tegen een vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond werd verklaard. De maatregel was opgelegd bij besluiten van 9 juli 2019.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat op grond van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 tegen een vrijheidsbeperkende maatregel geen hoger beroep mogelijk is. Dat de uitspraak van de rechtbank onterecht vermeldt dat wel hoger beroep mogelijk is, verandert hier niets aan.

Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens is bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 17 februari 2020.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel.

Uitspraak

202000915/1/V3.
Datum uitspraak: 17 februari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kind,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 januari 2020 in zaken nrs. NL19.27716 en NL19.27717  in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 9 juli 2019 is aan de vreemdelingen een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 13 januari 2020 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De uitspraak van de rechtbank gaat over een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 56 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.
2.    De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. Annen
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2020
765.