ECLI:NL:RVS:2020:484
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verwijdering politiegegevens na onjuiste verdachte-aanduiding
De korpschef van politie weigerde op 20 maart 2018 gegevens van de wederpartij uit het politiesysteem te verwijderen, waarin hij als verdachte stond aangemerkt van het wegrijden bij een politiecontrole in 2017. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de wederpartij aannemelijk had gemaakt dat hij op dat moment in Turkije was en dus niet de bestuurder kon zijn, en vernietigde het besluit van de korpschef.
De korpschef stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de toetsingsmaatstaf had gehanteerd dat de wederpartij aannemelijk moest maken dat hij ten onrechte als verdachte stond geregistreerd. Volgens de korpschef had de wederpartij dit niet voldoende aangetoond, mede omdat een politieambtenaar de wederpartij had herkend aan een foto, en de wederpartij onvoldoende bewijs had geleverd van zijn verblijf in Turkije.
De Raad van State overwoog dat het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat de gegevens onjuist zijn. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de wederpartij voldoende bewijs had geleverd, waaronder een noodpaspoortaanvraag bij het consulaat in Istanbul, een rittenregistratie van zijn taxi die niet gebruikt was, en een oogoperatie in Turkije. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De korpschef werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer C.J. Borman op 19 februari 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep van de korpschef wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.