Uitspraak
Datum uitspraak: 19 februari 2020
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat legde aan [appellante], exploitant van een scheepsrecyclinginrichting, een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 10.60 van de Wet milieubeheer en bepalingen uit de EVOA. Dit betrof de overbrenging van een duwbak vanuit België naar Nederland zonder de vereiste bijlage VII informatie en zonder een juridisch bindend contract met terugnameverplichting.
[Appellante] voerde aan dat de duwbak geen afvalstof was omdat zij deze had aangekocht met de intentie tot doorverkoop en dat het verlopen van de meetbrief niet tot afvalstatus moest leiden. De Raad van State oordeelde dat de duwbak vanwege de slechte staat, het ontbreken van geldige certificaten en het feit dat deze uiteindelijk werd gesloopt, terecht als afvalstof werd aangemerkt. De commerciële waarde en intentie tot verkoop veranderen hieraan niets.
Verder stelde [appellante] dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een waarschuwing in plaats van een last onder dwangsom. De Raad van State verwierp dit betoog en bevestigde dat de staatssecretaris op grond van het handhavingsbeleid en eerdere overtredingen terecht voor een last onder dwangsom koos.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de last onder dwangsom bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens overtreding van de Wet milieubeheer en EVOA wordt ongegrond verklaard.