ECLI:NL:RVS:2020:554

Raad van State

Datum uitspraak
24 februari 2020
Publicatiedatum
24 februari 2020
Zaaknummer
201904784/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens herstelverzuim

De vreemdeling diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf, die door de staatssecretaris op 22 maart 2018 werd afgewezen. Hiertegen maakte zij bezwaar, dat op 14 september 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze beslissing op 23 mei 2019. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris verplicht was om de vreemdeling een nadere termijn te geven om haar bezwaarschrift aan te vullen, nadat zij een pro-formabezwaarschrift had ingediend. De staatssecretaris had dit niet gedaan en verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het niet verplicht was om een herstelverzuimbrief te sturen, mede omdat de gemachtigde van de vreemdeling al een herstelverzuimbrief had ontvangen in een andere procedure.

De Raad van State oordeelde echter dat het bestendige praktijk is dat de staatssecretaris een herstelverzuimbrief stuurt bij ontvangst van een pro-formabezwaarschrift en dat dit ook in deze zaak had moeten gebeuren. Het feit dat in een andere zaak een herstelverzuimbrief was verzonden, ontslaat de staatssecretaris niet van zijn verplichting in deze zaak. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 14 september 2018 vernietigd, en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.

Uitspraak

201904784/1/V1.
Datum uitspraak: 24 februari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 mei 2019 in zaak nr. 18/7550 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 september 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 mei 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Ceylan, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Naar aanleiding van het besluit van 22 maart 2018 heeft de vreemdeling op 16 april 2018 een pro-formabezwaarschrift ingediend. Daarin heeft zij de staatssecretaris verzocht haar een nadere termijn te stellen om de gronden van bezwaar aan te vullen en haar het dossier toe te zenden. De staatssecretaris heeft vervolgens, zonder de vreemdeling een nadere termijn te stellen om de gronden aan te vullen, het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.    De rechtbank heeft overwogen dat het staande praktijk is dat de staatssecretaris de gemachtigde van een vreemdeling een herstelverzuimbrief stuurt, wanneer hij een pro-formabezwaarschrift ontvangt. Hij is dit echter niet verplicht. In dit geval komt het voor risico van de vreemdeling dat haar gemachtigde de gronden niet tijdig bij de staatssecretaris heeft ingediend. De gemachtigde had haar dossier en een herstelverzuimbrief namelijk al ontvangen in het kader van een procedure namens de pleegkinderen van de vreemdeling en referent. De gemachtigde had er dan ook bedacht op moeten zijn dat zij ook in de procedure van de vreemdeling gronden had moeten indienen, aldus de rechtbank.
3.    De vreemdeling klaagt in haar enige grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ingevolge de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb en gelet op zijn bestendige praktijk op dit punt verplicht was haar een nadere termijn te stellen voor het indienen van gronden in bezwaar. Dat de staatssecretaris in de zaak van de pleegkinderen het dossier en een herstelverzuimbrief aan de gemachtigde van de vreemdeling had toegezonden, betekent niet dat hij in de zaak van de vreemdeling geen herstelverzuimbrief hoefde te sturen.
3.1    Niet in geschil is dat het in deze zaak gaat om een pro-formabezwaarschrift en dat het bestendige praktijk van de staatssecretaris is dat hij de gemachtigde van de betrokken vreemdeling een herstelverzuimbrief stuurt als hij zo'n bezwaarschrift ontvangt. Gelet hierop had hij dat ook in dit geval moeten doen, alvorens op het bezwaar te beslissen. Dat hij in de procedure van de pleegkinderen wel zo'n brief heeft verstuurd, betekent niet dat hij dat in deze zaak niet meer hoefde te doen, omdat dit een andere zaak is. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De grief slaagt.
4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 14 september 2018 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 mei 2019 in zaak nr. 18/7550;
III.    verklaart het beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van 14 september 2018, V-nummer […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.100,00 (zegge: tweeduizend honderd euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Oei
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2020
670-948.