ECLI:NL:RVS:2020:561
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen inreisverbod vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 15 oktober 2018 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 7 mei 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 9 januari 2020 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Echter richtte het hoger beroep zich niet tegen de inhoudelijke gronden van de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling gaf geen motivering waarom de uitspraak onjuist zou zijn, waardoor de Afdeling geen inhoudelijk oordeel kon geven.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en hoefde de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer onder leiding van mr. N. Verheij op 24 februari 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd betoog.