ECLI:NL:RVS:2020:59
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende identiteitsbewijs
De vreemdeling heeft bij besluit van 20 november 2017 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris is afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde de vreemdeling hoger beroep in tegen de uitspraak van 22 februari 2019.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling terecht over een onjuist feitencomplex bij de rechtbank, die ten onrechte aannam dat de vreemdeling een dochter van haar zus was, terwijl zij volgens de aanvraag de zus van de referent is. De staatssecretaris heeft echter in het bezwaarbesluit wel juist aangenomen dat de vreemdeling de zus van de referent is.
De Raad van State oordeelt dat deze fout in de rechtbankuitspraak niet leidt tot vernietiging, omdat de kern van het besluit – dat de vreemdeling haar identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt – onverminderd blijft gelden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.