ECLI:NL:RVS:2020:625
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel in hoger beroep
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 20 mei 2016 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep van de vreemdeling ongegrond in een uitspraak van 29 maart 2017. De vreemdeling ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure werd tevens een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd op 9 mei 2017, dat later op 27 juni 2018 werd ingetrokken. Het hoger beroep richtte zich op de beoordeling van het Unierechtelijke openbare ordecriterium, zoals neergelegd in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Tevens werd verwezen naar een eerdere uitspraak van de Afdeling van 22 november 2019 waarin dezelfde rechtsvraag was beantwoord. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.