ECLI:NL:RVS:2020:627
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 12 juni 2018 het verblijfsrecht van de vreemdeling beëindigd en hem ongewenst verklaard. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 5 juni 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 30 oktober 2019 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om het treffen van een voorlopige voorziening. De Afdeling overwoog dat het hoger beroep niet gericht was tegen de uitspraak van de rechtbank, omdat de vreemdeling niet had toegelicht waarom de uitspraak onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoefde te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter N. Verheij op 26 februari 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.