ECLI:NL:RVS:2020:631
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 13 augustus 2019 besluiten genomen waarbij aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verkrijgen niet in behandeling zijn genomen. De vreemdelingen, mede voor hun minderjarige kinderen, hebben hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 16 oktober 2019 de beroepen gegrond verklaarde, de besluiten vernietigde en de staatssecretaris opdroeg nieuwe besluiten te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure gaf de gemachtigde van de vreemdelingen aan dat sinds 14 oktober 2019 geen contact meer was met de vreemdelingen en dat zij met onbekende bestemming waren vertrokken. Hierdoor concludeerde de Afdeling dat de vreemdelingen geen bescherming meer zoeken in Nederland.
Gelet op dit nieuwe gegeven heeft de Afdeling geoordeeld dat de door de staatssecretaris bestreden overwegingen van de rechtbank geen praktische betekenis meer hebben en niet bindend zijn voor toekomstige geschillen. De staatssecretaris heeft daarom geen belang meer bij de beoordeling van zijn grieven en het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk verklaard wegens het vertrek van de vreemdelingen uit Nederland.