ECLI:NL:RVS:2020:648
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 oktober 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 28 november 2019 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat het hoger beroep niet gericht was tegen de inhoudelijke uitspraak van de rechtbank, omdat de vreemdeling niet had toegelicht waarom deze uitspraak onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep. Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Afdeling besloot tevens dat de staatssecretaris geen proceskosten hoefde te vergoeden. Het vonnis werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van N. Verheij op 4 maart 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd beroepschrift.