ECLI:NL:RVS:2020:653
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State in hoger beroep tegen sluiting en intrekking horeca-exploitatievergunning
Bij besluit van 18 maart 2019 heeft de burgemeester van Utrecht de horeca-inrichting van appellant gesloten voor vijf weken en op 16 april 2019 de exploitatievergunning ingetrokken met een verbod op nieuwe vergunningverlening voor een jaar. De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland wees op 17 juni 2019 de verzoeken om voorlopige voorziening af. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
Appellant voerde onder meer aan dat het appelverbod doorbroken moest worden vanwege ernstige schendingen van fundamentele rechtsbeginselen, waaronder het niet toewijzen van zijn verzoeken, het niet erkennen van zijn belang bij schorsing en vermeende onrechtmatigheden in de bewijsvoering. De Afdeling overwoog echter dat het appelverbod in artikel 8:104 Awb Pro van toepassing is en dat voorlopige voorzieningen slechts tijdelijk zijn tot het besluit op bezwaar is genomen.
Omdat inmiddels een besluit op bezwaar is genomen en appellant geen nieuwe voorlopige voorziening heeft gevraagd, bestaat geen grond voor doorbreking van het appelverbod. De Afdeling verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens het appelverbod.