ECLI:NL:RVS:2020:681
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering lerarenbeurs wegens lagere vaststelling subsidie en afwijzing hardheidsclausule
Appellante ontving een lerarenbeurs voor de studiejaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 voor een (pre)masteropleiding Filosofie. De minister stelde bij besluit van 20 augustus 2018 de subsidie lager vast en vorderde €7.372,60 terug omdat appellante minder cursusgeld betaalde dan de ontvangen voorschotten.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat de regeling ruimer uitgelegd moest worden en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden, onder meer omdat zij de opleiding in vier jaren afrondde naast bijna voltijds werken en hogere kosten maakte in 2015-2016 die buiten de subsidieperiode vielen.
De Afdeling oordeelde dat artikel 3 van Pro de Regeling lerarenbeurs niet anders uitgelegd kan worden en dat de minister terecht de subsidie voor maximaal drie jaren verleende. De terugvordering was gegrond omdat appellante minder cursusgeld betaalde dan de subsidie voorschotten. De hardheidsclausule kon niet worden toegepast omdat er geen onbillijkheid van overwegende aard was. Het risico dat appellante niet subsidieerde voor 2015-2016 lag bij haar.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van €7.372,60 bevestigd.