ECLI:NL:RVS:2020:686
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken individuele beoordeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 maart 2017 de aanvragen van drie vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakten de vreemdelingen bezwaar, dat op 20 februari 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen op 15 maart 2019 eveneens ongegrond. De vreemdelingen stelden vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de staatssecretaris bij de afwijzing geen individuele beoordeling had gemaakt, hetgeen een vereiste is. Dit oordeel was in lijn met een eerdere uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2020. De grieven van de vreemdelingen waren gegrond, waardoor het hoger beroep werd toegewezen en de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.
Het besluit van 20 februari 2018 werd eveneens vernietigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, terwijl het griffierecht voor het hoger beroep niet hoefde te worden vergoed omdat dit niet was geheven. De Afdeling stelde hiermee het belang van een individuele beoordeling bij vreemdelingenbesluiten centraal.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris zijn vernietigd, en de staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.