ECLI:NL:RVS:2020:811
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling bestemmingsplan Bredius te Amsterdam
De raad van de gemeente Amsterdam stelde op 18 september 2019 het bestemmingsplan Bredius vast voor de bouw van een wooncomplex met parkeergarage op een braakliggend terrein van een voormalig sportcentrum.
Appellant, wonend aan een perceel grenzend aan het plangebied, maakte bezwaar tegen het plan vanwege mogelijke aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij voerde aan dat het rapport luchtkwaliteit ten onrechte geen stikstofdepositie onderzocht, dat geluidbelasting onvoldoende was onderzocht, dat aanvullende natuuronderzoek naar rietorchis en vleermuizen ontbrak, en dat de financiële uitvoerbaarheid onzeker was door mogelijke bodemverontreiniging.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het ontbreken van een passende beoordeling stikstofdepositie niet tot vernietiging leidt omdat appellant onvoldoende belang heeft bij de bescherming van het Natura 2000-gebied gezien de afstand. Het geluidsonderzoek was toereikend voor bestaande woningen; geluid voor toekomstige bewoners raakt appellant niet. De raad mocht aannemen dat de Wet natuurbescherming niet aan uitvoerbaarheid in de weg staat, omdat aanvullend onderzoek en ontheffingen in de uitvoeringsfase kunnen plaatsvinden. De financiële uitvoerbaarheid werd voldoende onderbouwd met bodemonderzoek en saneringskosten werden als beperkt ingeschat.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestemmingsplan blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan Bredius wordt ongegrond verklaard en het plan blijft vastgesteld.