ECLI:NL:RVS:2020:820
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling inreisverbod na afwijzing asielaanvraag wegens misdrijf onder artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De staatssecretaris wees de asielaanvraag van de vreemdeling af en legde een inreisverbod van tien jaar op, omdat de vreemdeling volgens artikel 1(F), onder b, van het Vluchtelingenverdrag verantwoordelijk wordt gehouden voor een ernstig misdrijf, namelijk de verkrachting van zijn minderjarige nicht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond, maar vernietigde het besluit over het inreisverbod vanwege onvoldoende motivering omtrent de actualiteit van de bedreiging.
In hoger beroep handhaafde de Raad van State het oordeel over de toepassing van artikel 1(F) en oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling geen nieuwe rechtsvragen bevat die beantwoording behoeven. De staatssecretaris voerde met succes aan dat het inreisverbod wel degelijk deugdelijk was gemotiveerd, onder meer vanwege de ernst van het misdrijf, het ontbreken van verjaring en het ontbreken van informatie over het gedrag van de vreemdeling in de tussenliggende periode.
De Raad van State vernietigde daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het inreisverbod vernietigde en verklaarde het beroep tegen het inreisverbod alsnog ongegrond. De rest van de uitspraak van de rechtbank bleef in stand. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het inreisverbod wordt gehandhaafd en het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.