ECLI:NL:RVS:2020:970

Raad van State

Datum uitspraak
1 april 2020
Publicatiedatum
1 april 2020
Zaaknummer
201808384/2/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.P.M. van Ravels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbAfdeling 3.4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bestemmingsplan vanwege onvoldoende motivering agrarisch bedrijf en bedrijfswoning

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep van Stichting Ons Schellingerland tegen het bestemmingsplan van de raad van de gemeente Terschelling gegrond verklaard. De Afdeling oordeelde dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het betrokken bedrijf kan worden aangemerkt als een volwaardig agrarisch bedrijf. Tevens was de onderbouwing voor de noodzaak van een bedrijfswoning voor de bedrijfsvoering van de zelfpluktuin onvoldoende.

De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 26 juni 2018 voor zover het een bedrijfsgebouw en bedrijfswoning toestaat op de betreffende locaties. De raad werd opgedragen binnen 16 weken een nieuw besluit te nemen waarin de gebreken worden hersteld, hetzij door een betere motivering, hetzij door een gewijzigd plan. De raad hoefde daarbij afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw toe te passen.

Daarnaast werd de raad veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Stichting Ons Schellingerland, inclusief het griffierecht. De uitspraak volgt op een eerdere tussenuitspraak van oktober 2019 waarin de gebreken al waren vastgesteld en een hersteltermijn was gesteld die inmiddels was verstreken zonder dat de raad aan zijn verplichtingen had voldaan.

Uitkomst: Het bestemmingsplan wordt vernietigd voor de onderdelen bedrijfsgebouw en bedrijfswoning vanwege onvoldoende motivering, met opdracht tot nieuw besluit binnen 16 weken.

Uitspraak

201808384/2/R3.
Datum uitspraak: 1 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting Ons Schellingerland, gevestigd te Lies, gemeente Terschelling,
appellante,
en
de raad van de gemeente Terschelling,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3595 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 26 juni 2018, waarbij het bestemmingsplan "[bedrijf]" is vastgesteld, te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 6.5 overwogen dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat [bedrijf] kan worden aangemerkt als volwaardig agrarisch bedrijf. Verder heeft de Afdeling onder 6.6 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van de zelfpluktuin ter plaatse. Gelet op wat is overwogen onder 6.5 en 6.6, heeft de Afdeling aanleiding gezien voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover dat een bedrijfsgebouw ter plaatse van het bouwvlak en een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch bouwperceel" toestaat.
2.    Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover dat een bedrijfsgebouw ter plaatse van het bouwvlak en een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" toestaat, dient te worden vernietigd.
3.    De Afdeling heeft de raad opdracht gegeven om:
- hetzij alsnog draagkrachtig te motiveren dat [bedrijf] kan worden aangemerkt als volwaardig agrarisch bedrijf, hetzij in zoverre een gewijzigd plan vast te stellen;
- hetzij - indien blijkt dat [bedrijf] kan worden aangemerkt als volwaardig agrarisch bedrijf - alsnog draagkrachtig te motiveren dat een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van de zelfpluktuin ter plaatse, hetzij in zoverre een gewijzigd plan vast te stellen;
- de Afdeling en de andere partij de uitkomst mee te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Afdeling 3.4 van de Awb hoefde bij de voorbereiding van het gewijzigde of nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast.
4.    De tussenuitspraak verplicht, gelet op artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb, de raad om de geconstateerde gebreken te herstellen binnen de daartoe gestelde termijn. De in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn eindigde op 11 maart 2020 en is verstreken. Niet is voldaan aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht om het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. De geconstateerde gebreken in het besluit van 26 juni 2018 zijn niet hersteld.
5.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde onderdelen van het plan met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
6.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het beroep gegrond;
II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Terschelling van 26 juni 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[bedrijf]", voor zover dat een bedrijfsgebouw ter plaatse van het bouwvlak en een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" toestaat;
III.    draagt de raad van de gemeente Terschelling op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Terschelling tot vergoeding van bij Stichting Ons Schellingerland in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.    gelast dat de raad van de gemeente Terschelling aan Stichting Ons Schellingerland het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00
(zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020
271-926.