ECLI:NL:RVS:2021:1076
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing opheffing ongewenstverklaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 14 juni 2019 het verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 30 april 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde bij uitspraak van 11 februari 2021 het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet hoefde te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank zolang het hoger beroep loopt. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gesteld dat uitvoering van de uitspraak van de rechtbank onherstelbare gevolgen zou hebben of een onevenredige inspanning zou vergen. Gezien de belangen van beide partijen zag de voorzieningenrechter geen reden om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.