ECLI:NL:RVS:2021:1082

Raad van State

Datum uitspraak
15 april 2021
Publicatiedatum
21 mei 2021
Zaaknummer
202100675/2/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring vreemdeling

De vreemdeling, strafrechtelijk gedetineerd in België, verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van 9 oktober 2019 waarbij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd introk en hem ongewenst verklaarde. Hij stelde dat toewijzing van het verzoek hem in aanmerking zou brengen voor vervroegde invrijheidstelling in België.

De voorzieningenrechter overwoog dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank, die het beroep van de vreemdeling gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, in stand zal blijven of dat de staatssecretaris de vergunning niet had mogen intrekken. Gezien de belangen van beide partijen werd besloten geen voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek werd afgewezen en de staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 april 2021.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en ongewenstverklaring is afgewezen.

Uitspraak

202100675/2/V1.
Datum uitspraak: 15 april 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 januari 2021 in zaak nr. 20/3183 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2019 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende vergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en de vreemdeling ongewenst verklaard.
Bij besluit van 26 maart 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 januari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft onder meer de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling is strafrechtelijk gedetineerd in België. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening de rechtsgevolgen van het besluit van 9 oktober 2019 te schorsen en de staatssecretaris op te dragen hem te behandelen als niet ongewenst verklaard en in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, althans in het bezit van rechtmatig verblijf in Nederland. Hij stelt dat toewijzing van het verzoek ertoe leidt dat hij in aanmerking komt voor vervroegde invrijheidstelling in België.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand zal blijven, of dat de staatssecretaris de verblijfsvergunning van de vreemdeling uiteindelijk niet had mogen intrekken en hem niet ongewenst mocht verklaren. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzieningenrechter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2021
392