ECLI:NL:RVS:2021:1102
Raad van State
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak bestuursdwangkosten schuurverwijdering
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het verzoek van verzoeker om herziening van een eerdere uitspraak van 22 januari 2020, waarin het verzet tegen een uitspraak van 28 december 2018 ongegrond was verklaard. Verzoeker stelde dat het besluit van het college tot vaststelling van bestuursdwangkosten voor de verwijdering van een schuur ten onrechte was gehandhaafd.
De Afdeling oordeelde dat herziening slechts mogelijk is op grond van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, bij verzoeker niet bekend waren en die, indien wel bekend, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Verzoeker bracht geen nieuwe feiten aan die aan deze criteria voldeden. Zijn betoog dat hem onrecht is aangedaan en dat hij schade heeft geleden, kwalificeerde niet als een feit of omstandigheid in de zin van artikel 8:119 Awb Pro.
Ook de tijdens de zitting genoemde omstandigheden over de handelswijze van het college tijdens de bestuursdwang waren geen nieuwe feiten. De Afdeling zag geen reden om getuigen te horen, aangezien deze geen nieuwe informatie zouden toevoegen. Het verzoek tot herziening werd daarom afgewezen, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak over bestuursdwangkosten wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten die herziening rechtvaardigen.