ECLI:NL:RVS:2021:1129
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling en toekenning opvang
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 juni 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 3 november 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag op 14 april 2021 het beroep van de vreemdeling eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat gelet op de belangen van de vreemdeling aanleiding bestond om een voorlopige voorziening te treffen. Dit houdt in dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 534,00, welke geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter H.J.M. Baldinger, in aanwezigheid van griffier A.M. van Meurs-Heuvel, op 26 mei 2021.
Uitkomst: De vreemdeling wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.