ECLI:NL:RVS:2021:1138
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Handhaving voorlopige voorziening inzake intrekking en weigering omgevingsvergunning
Het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft op 23 juni 2020 vergunningen van verzoekster ingetrokken en geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen voor haar inrichting en de bouw van een hal te Bunschoten-Spakenburg. Het college baseerde dit op het vermoeden dat de vergunningen zouden worden gebruikt voor het benutten van uit strafbare feiten verkregen voordelen of het plegen van strafbare feiten, conform artikel 3 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Verzoekster betwistte de toepassing van artikel 3 en Pro stelde dat deze onevenredig was. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Verzoekster stelde hoger beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter schortte het besluit van 23 juni 2020 op 23 april 2021 en behandelde de zaak op 20 mei 2021. Het college gaf aan de schorsing te kunnen accepteren mits de bodemprocedure snel wordt afgerond. De voorzieningenrechter handhaafde de schorsing en bepaalde dat het college de proceskosten van verzoekster en het griffierecht moet vergoeden.
Deze uitspraak voorkomt onmiddellijke beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van verzoekster, waardoor faillissement en grote gevolgen voor werknemers worden voorkomen, terwijl het college verzekerd is van een spoedige bodemprocedure.
Uitkomst: De schorsing van het besluit tot intrekking en weigering van vergunningen wordt gehandhaafd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.