ECLI:NL:RVS:2021:1387
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving bij bouw zonder omgevingsvergunning in Maasdijk
Het college van burgemeester en wethouders van Westland legde op 3 september 2019 een last onder dwangsom op aan appellant A om een zonder omgevingsvergunning gebouwd bijgebouw op zijn perceel in Maasdijk te verwijderen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het beroep van appellant A ongegrond verklaarde, werd hoger beroep ingesteld door appellant A en appellant B.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep van appellant B niet-ontvankelijk, omdat zij geen beroep had ingesteld bij de rechtbank. Het hoger beroep van appellant A werd inhoudelijk behandeld, waarbij werd vastgesteld dat de door hem aangevoerde gronden over vergunningvrij bouwen en het ontstaan van een omgevingsvergunning van rechtswege in eerste aanleg waren ingetrokken en daarom niet konden leiden tot gegrondverklaring in hoger beroep.
De Afdeling oordeelde dat het college terecht handhavend optrad, omdat geen bijzondere omstandigheden bestonden die het college verplichten af te zien van handhaving. De aanvraag om een omgevingsvergunning na het opleggen van de last onder dwangsom bood geen concreet zicht op legalisatie. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellant A af.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant A wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep van appellant B niet-ontvankelijk verklaard; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.