ECLI:NL:RVS:2021:1416

Raad van State

Datum uitspraak
30 juni 2021
Publicatiedatum
30 juni 2021
Zaaknummer
201908760/3/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve vervallenverklaring tussenuitspraak en einduitspraak in hoger beroep bestuursrecht

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij tussenuitspraak van 19 augustus 2020 de minister opgedragen een gebrek in het besluit van 30 november 2018 te herstellen. De minister heeft dit gedaan door middel van een nadere motivering bij brief van 30 oktober 2020. De Afdeling heeft vervolgens op 3 februari 2021 overwogen dat verzoekster de gelegenheid had gekregen om een zienswijze op deze nadere motivering te geven, maar hiervan geen gebruik heeft gemaakt.

Later heeft verzoekster gemeld dat de processtukken niet naar haar nieuwe adres waren verzonden, waardoor zij niet tijdig op de hoogte was en geen zienswijze kon indienen. Dit leidde tot een verzoek om ambtshalve vervallenverklaring van de eerdere uitspraken. Tijdens de hoorzitting van 9 juni 2021 werd vastgesteld dat verzoekster ernstig in haar procespositie was benadeeld doordat zij niet correct was geïnformeerd.

De Afdeling heeft daarom de tussenuitspraak en de einduitspraak ambtshalve vervallen verklaard en zal bij een afzonderlijke uitspraak opnieuw beslissen op het hoger beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De tussenuitspraak van 19 augustus 2020 en de einduitspraak van 3 februari 2021 worden ambtshalve vervallen verklaard en de zaak wordt opnieuw behandeld.

Uitspraak

201908760/3/A3.
Datum uitspraak: 30 juni 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekster], wonend te [woonplaats],
om ambtshalve vervallenverklaring van de uitspraken van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1987, en 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:213.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1987, heeft de Afdeling de minister opgedragen het in die uitspraak omschreven gebrek in het besluit van de minister van 30 november 2018, kenmerk NM 183/1311, te herstellen.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de minister bij brief van 30 oktober 2020 het besluit van 30 november 2018 nader gemotiveerd.
Bij uitspraak van 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:213, heeft de Afdeling overwogen dat [verzoekster] in de gelegenheid is gesteld een zienswijze over de nadere motivering van de minister naar voren te brengen, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt. De Afdeling leidt hieruit af dat [verzoekster] geen bezwaren heeft tegen het nader gemotiveerde besluit. [partij] heeft als derde-belanghebbende schriftelijk meegedeeld het met het besluit eens te zijn. De Afdeling heeft geoordeeld dat daarom geen aanleiding bestaat om de door de minister gegeven nadere motivering van het besluit van 30 november 2018 ontoereikend te achten. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek van het besluit van 30 november 2018, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2019, in zaak nr. 19/201, vernietigd, het beroep van [verzoekster] tegen het besluit van 30 november 2018 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De Afdeling heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat de minister heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.
Bij brief van 21 februari 2021 heeft [verzoekster] meegedeeld dat de Afdeling de processtukken in de hogerberoepsprocedure niet heeft verzonden naar haar nieuwe adres, dat in de brief van 15 februari 2020, houdende de hogerberoepsgronden, staat vermeld. Hierdoor heeft [verzoekster] onder meer de tussenuitspraak van 19 augustus 2020 en de nadere motivering van de minister van het besluit van 30 november 2018 niet ontvangen en geen gelegenheid gehad om daarop in te gaan.
De Afdeling heeft de brief van [verzoekster] van 21 februari 2021 als een verzoek om ambtshalve vervallenverklaring van de tussenuitspraak van 19 augustus 2020 en de einduitspraak van 3 februari 2021 aangemerkt.
De Afdeling heeft de zaak ter hoorzitting behandeld op 9 juni 2021, waar [verzoekster], en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Gier, zijn verschenen. Tevens is ter hoorzitting [partij] gehoord.
Overwegingen
1.       De Afdeling stelt vast dat de processtukken in het hoger beroep van [verzoekster], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2019, in zaak nr. 19/201, in het geding tussen [verzoekster] en de minister voor Rechtsbescherming, niet naar het door [verzoekster] bij brief van 15 februari 2020 opgegeven adres zijn verzonden. Als gevolg daarvan is [verzoekster] niet naar behoren in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven op de door de minister gegeven nadere motivering van het besluit van 30 november 2018. De Afdeling heeft vanwege het ontbreken van die zienswijze de nadere motivering van de minister van zijn besluit van 30 november 2018 zonder inhoudelijke beoordeling voldoende geacht. [verzoekster] is hierdoor in haar procespositie ernstig benadeeld.
2.       [verzoekster] heeft bij brief van 21 mei 2021 een zienswijze op het nader gemotiveerde besluit van 30 november 2018 gegeven.
Niet kan worden uitgesloten dat het in de zienswijze aangevoerde leidt tot een andere uitkomst van het hoger beroep van [verzoekster] dan het in de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2021 neergelegde eindoordeel.
3.       De Afdeling ziet in het voorgaande aanleiding de tussenuitspraak van 19 augustus 2020 en de einduitspraak van 3 februari 2021 ambtshalve vervallen te verklaren en opnieuw uitspraak op het hoger beroep van [verzoekster] te doen. De Afdeling zal bij afzonderlijke uitspraak op het hoger beroep beslissen.
4.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1987, en de einduitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:213, vervallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021
598.