ECLI:NL:RVS:2021:149
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hogere uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs ernstiger huiselijk geweld
Appellante diende een aanvraag in bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor een uitkering wegens stelselmatig huiselijk geweld in de periode 2007-2010, waarbij zij fysiek en psychisch letsel opliep. De CSG kende een uitkering toe van € 2.500,00 op basis van letselcategorie 2, waarbij de ernst en frequentie van het geweld onvoldoende waren om een hogere categorie toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de frequentie van het geweld hoog was en dat de CSG haar mishandeling geloofde, waardoor een hogere uitkering passend was. De Raad van State oordeelde dat de CSG binnen haar beleidsruimte handelde en dat appellante onvoldoende objectief bewijs had geleverd voor een ernstiger letselcategorie.
De Raad benadrukte dat de CSG de ernst van het letsel en de frequentie van het geweld beoordeelt aan de hand van de Beleidsbundel en Letsellijst. De meldingen bij de politie en de opvangduur ondersteunden geen hogere categorie. Het standpunt van de CSG dat geloof in de verklaring niet zonder objectief bewijs tot een hogere uitkering leidt, werd bevestigd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 januari 2020. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; uitkering van € 2.500,00 bevestigd.