ECLI:NL:RVS:2021:1568
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over verblijfsrecht van Unieburger en haar kinderen op grond van artikel 10 Verordening 492/2011
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit van 16 oktober 2017 vernietigde, waarin werd vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan meer had.
De vreemdeling, met de Spaanse nationaliteit, verbleef sinds 2015 in Nederland en had reële en daadwerkelijke arbeid verricht in diverse perioden. De staatssecretaris stelde dat zij niet voldeed aan de voorwaarde van drie maanden ononderbroken arbeid en dat haar verblijfsrecht daarom was geëindigd. De vreemdeling beriep zich op artikel 10 van Pro Verordening 492/2011, dat haar kinderen recht geeft op toegang tot het Nederlandse onderwijs en daarmee een afgeleid verblijfsrecht voor haarzelf.
De Raad van State overwoog dat het begrip 'werknemer' in het Unierecht een ruime betekenis heeft en dat nationale eisen van een minimale aaneengesloten werkperiode niet zijn toegestaan. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de staatssecretaris ten onrechte een periode van drie maanden ononderbroken arbeid eiste. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.