Uitspraak
Datum uitspraak: 21 juli 2021
Raad van State
Appellant en anderen verzochten de minister om afschriften van documenten met persoonsgegevens op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), later de AVG, met betrekking tot vermeend seksueel misbruik binnen de Cheider scholengemeenschap. De minister weigerde inzage deels op grond van het absolute geheimhoudingsregime van artikel 6, vierde en zesde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht (Wot) en artikel 41 van Pro de Uitvoeringswet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de minister terecht inzage had geweigerd vanwege het belang van vertrouwelijkheid en veiligheid van kinderen in het onderwijs. Appellant stelde dat deze weigering strijdig was met artikel 3 van Pro het IVRK en artikelen 3 en 8 van het EVRM, en dat er geen effectief dwangmiddel was om scholen tot aangifte te bewegen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het geheimhoudingsregime essentieel is voor het functioneren van de vertrouwensinspecteur en het voorkomen van misbruik. De belangen van de kinderen zijn zwaarder dan het inzagerecht van appellant. Er is geen sprake van schending van het EVRM of IVRK, noch van een positieve verplichting tot volledige inzage. Het beroep op onvolledig proces-verbaal faalt eveneens.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De belangenafweging is redelijk en voldoet aan het vereiste van een ‘fair balance’ onder artikel 8 EVRM Pro.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van inzage in persoonsgegevens op grond van het geheimhoudingsregime en verklaart het hoger beroep ongegrond.