ECLI:NL:RVS:2021:1690
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking wapenverlof na bedreigende uitlatingen en schietincident
De korpschef van politie heeft op 17 april 2019 het wapenverlof van appellant ingetrokken nadat zich tijdens de bruiloft van zijn zoon een schietpartij voordeed waarbij de broer van appellant gewond raakte. Appellant deed bij het politieonderzoek meerdere bedreigende uitspraken dat hij de dader zou pakken en doden indien hij hem tegen zou komen. De minister van Justitie en Veiligheid heeft dit besluit gevolgd en het administratief beroep van appellant ongegrond verklaard.
Appellant voerde aan dat zijn psychische gesteldheid niet door leken kan worden vastgesteld en dat een deskundig oordeel van een psychiater of psycholoog ontbrak. Tevens stelde hij dat hij geen bedreigende woorden had geuit en dat het proces-verbaal van verhoor als getuige hem werd onthouden in strijd met artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde echter dat het bestuursorgaan terecht mocht uitgaan van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en dat het ontbreken van een psychiatrisch rapport niet tot een ander oordeel leidt.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank dat er voldoende aanwijzingen zijn dat appellant het voorhanden hebben van wapens niet langer kan worden toevertrouwd vanwege zijn agressieve en impulsieve gedragingen. Het tijdsverloop tussen het incident en de intrekking en het ontbreken van een termijn aan de intrekking zijn geen gronden om het besluit te vernietigen. De minister heeft appellant gewezen op de voorwaarden waaronder hij opnieuw in aanmerking kan komen voor een wapenverlof. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van het wapenverlof vanwege onvoldoende vertrouwen in de psychische gesteldheid van appellant.