ECLI:NL:RVS:2021:1733
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling handhaving begrazing groenstrook in strijd met bestemmingsplan en Wet milieubeheer
Het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren weigerde handhavend op te treden tegen het begrazen van een groenstrook tegenover de woning van appellant in Balk. Het college stelde vast dat het begrazen in 2018 en 2019 incidenteel en binnen de bestemming 'Groen' plaatsvond en dat er geen sprake was van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer.
Appellant voerde aan dat het begrazen onderdeel was van een agrarische bedrijfsvoering en dat eerdere jaren met meer schapen duidden op bedrijfsmatigheid en structureel beleid. De rechtbank en de Raad van State oordeelden echter dat het begrazen in de relevante periode incidenteel was en binnen het bestemmingsplan paste.
Verder stelde appellant dat het begrazen bedrijfsmatig was en daarom onder de Wet milieubeheer viel. De Raad van State volgde het college en de rechtbank in hun oordeel dat het begrazen niet binnen een zekere begrenzing plaatsvindt en dat er geen voldoende binding is tussen de groenstrook en de schapenhouderij om van één inrichting te spreken.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.