ECLI:NL:RVS:2021:1765

Raad van State

Datum uitspraak
5 augustus 2021
Publicatiedatum
5 augustus 2021
Zaaknummer
202104177/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 84 Vw 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen verlenging bewaringsmaatregel vreemdeling

Bij besluit van 19 april 2021 verlengde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de termijn van een eerder opgelegde bewaringsmaatregel aan een vreemdeling met maximaal drie maanden. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 23 juni 2021 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog echter dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 tegen de verlenging van een bewaringsmaatregel geen hoger beroep mogelijk is, waardoor zij zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het hoger beroep.

Omdat de rechtbank ten onrechte had vermeld dat hoger beroep mogelijk was, werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die waren gemaakt voor de behandeling van het hoger beroep. De Afdeling sprak dit uit in een openbare uitspraak op 5 augustus 2021.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202104177/1/V3.
Datum uitspraak: 5 augustus 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 juni 2021 in zaak nr. NL21.8601 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2021 is de termijn van de bij besluit van 31 maart 2021 aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste drie maanden.
Bij uitspraak van 23 juni 2021 heeft de rechtbank het door de vreemdeling daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De uitspraak van de rechtbank gaat over het verlengen van de maatregel van bewaring (artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.
2.       De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Omdat de rechtbank onder de uitspraak ten onrechte heeft vermeld dat hoger beroep kan worden ingesteld, moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II.       veroordeelt staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Hoogvliet
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2021
47-907