ECLI:NL:RVS:2021:1773
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 11 juli 2017 en 14 februari 2018 aanvragen van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Tegen deze besluiten zijn bezwaren gemaakt die op 16 november 2020 ongegrond werden verklaard. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die op 16 juni 2021 het beroep gegrond verklaarde voor zover het betrekking had op het driejarenbeleid en het besluit vernietigde.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij de uitspraak van de rechtbank zou hoeven uitvoeren voordat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling stelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat gelet op de belangen van beide partijen een voorlopige voorziening op zijn plaats is. De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Tevens is bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.