Uitspraak
Datum uitspraak: 23 augustus 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
De burgemeester van Soest trok bij besluit van 30 september 2020 de exploitatievergunning in van een massagesalon die sinds 2017 door [bedrijf] werd geëxploiteerd. Dit besluit was gebaseerd op adviezen van het Landelijk Bureau Bibob, waarin onder meer werd gewezen op strafbare feiten gepleegd door voormalige aandeelhouders binnen het concern in België.
De rechtbank verklaarde het beroep van [bedrijf] ongegrond, waarbij zij de b-grond van de Wet bibob als grondslag voor de intrekking aanvaardde, maar de a-grond verwierp. [Bedrijf] stelde in hoger beroep dat er geen zakelijk samenwerkingsverband meer bestaat en dat de intrekking onevenredig is. Tevens verzocht zij om een voorlopige voorziening om de exploitatie voort te zetten zolang de bodemprocedure loopt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van [bedrijf] bij voortzetting van de exploitatie zwaarder weegt dan het belang van de burgemeester bij intrekking, mede omdat de banden met de betrokken personen lijken te zijn verbroken en vergelijkbare vergunningen elders wel zijn verleend met voorschriften. Daarom werd het besluit geschorst en de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak betreft een voorlopige voorziening en is niet bindend voor de bodemprocedure, waarin de inhoudelijke beoordeling van de intrekking zal plaatsvinden.
Uitkomst: De Raad van State schorst de intrekking van de exploitatievergunning en veroordeelt de burgemeester tot vergoeding van proceskosten.