ECLI:NL:RVS:2021:1861
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen voortzetting bewaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde op 12 maart 2021 een vreemdeling in bewaring. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 juli 2021 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De vreemdeling ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het hoger beroep zich richt op de voortzetting van de bewaring, een besluit waarop volgens artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat. Het hoger beroep kan slechts worden behandeld indien sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, hetgeen hier niet aan de orde was.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens werd geoordeeld dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 20 augustus 2021.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen tegen de voortzetting van de bewaring.