ECLI:NL:RVS:2021:1863
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bevel tot staken arbeid taxichauffeur zelfstandige
De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde op 11 februari 2021 een bevel tot staken van de arbeid op aan de eigenaar/vennoot van een vennootschap die als zelfstandige taxichauffeur werkzaam is. Dit bevel volgde op een constatering dat in een periode van 14 aaneengesloten dagen geen rusttijd van 72 uur was genoten, wat volgens artikel 8:1, eerste lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Atbv) een overtreding oplevert.
De vennootschap maakte bezwaar tegen het bevel en stelde onder meer dat de rusttijdenregeling niet op zelfstandigen van toepassing is. De minister en de rechtbank verwierpen dit standpunt en bevestigden dat de bepalingen ook voor zelfstandigen gelden. De vennootschap stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de principiële vraag of de rusttijdenregeling op zelfstandigen van toepassing is, niet in een voorlopige voorziening kan worden beantwoord. Na belangenafweging wees hij het verzoek af, mede omdat het bevel inmiddels was verlopen en er geen spoedeisend belang bestond. Ook zag de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een voorlopige maatregel die de handhaving op zelfstandige taxichauffeurs zou moeten staken.
De uitspraak bevestigt dat de rusttijdenregels uit het Atbv ook op zelfstandige taxichauffeurs van toepassing kunnen zijn en dat handhaving op grond daarvan gerechtvaardigd is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bevel tot staken van arbeid werd afgewezen omdat het bevel was verlopen en geen spoedeisend belang bestond.