ECLI:NL:RVS:2021:1864
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom voor onrechtmatige grondtoepassing
Het college van gedeputeerde staten van Gelderland legde aan verzoekster twee lasten onder dwangsom op, waaronder het verwijderen van grond die in strijd met het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) was toegepast. Verzoekster had in 2016 delen van haar terrein afgegraven en opgehoogd met grond van kwaliteitsklasse industrie, terwijl op die locatie alleen grond met achtergrondwaarden mocht worden toegepast.
Verzoekster had de werkzaamheden niet vooraf gemeld en pas in 2020 alsnog melding gedaan. Het college stelde vast dat de grondtoepassing niet was toegestaan en legde een last onder dwangsom op. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de begunstigingstermijn te verlengen, stellende dat de bodemkwaliteit niet was verslechterd en dat het college eerder had ingestemd met de toepassing.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat het college had ingestemd met de grondtoepassing en dat de toepassing niet was toegestaan volgens het Bbk. De voorzieningenrechter vond geen bijzondere omstandigheden om af te zien van handhaving en wees het verzoek af. Verzoekster had wel een spoedeisend belang, maar geen zwaarwegend financieel belang dat de voorlopige voorziening rechtvaardigde. De dwangsommen blijven van kracht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen.