ECLI:NL:RVS:2021:1868

Raad van State

Datum uitspraak
20 augustus 2021
Publicatiedatum
23 augustus 2021
Zaaknummer
202104885/2/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 november 2020 het verzoek van de vreemdeling om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro 2000 af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 4 januari 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdeling op 28 juni 2021 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht op 20 augustus 2021 de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overweegt dat de stukken voor het hoger beroep nog niet volledig zijn ontvangen en treft daarom bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening. Deze houdt in dat de op korte termijn voorziene beëindiging van de opvang van de vreemdeling wordt opgeschort. De staatssecretaris wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 748,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De voorzieningenrechter zal na ontvangst van de resterende stukken op het resterende deel van het verzoek beslissen. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 20 augustus 2021.

Uitkomst: De voorzieningenrechter bepaalt dat de beëindiging van de opvang wordt opgeschort en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202104885/2/V1.
Datum uitspraak: 20 augustus 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 juni 2021 in zaak nr. 21/46 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 4 januari 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter bij brief van 20 augustus 2021 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter, voor zover nu van belang, verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de op korte termijn voorziene beëindiging van de opvang achterwege blijft. Omdat de voor de beoordeling van het hoger beroep noodzakelijke stukken nog niet zijn ontvangen, treft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening. Nadat de stukken zijn ontvangen zal de voorzieningenrechter op het resterende deel van het verzoek beslissen.
2.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat beëindiging van de opvang achterwege blijft;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2021