ECLI:NL:RVS:2021:1889
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking remigratievoorzieningen wegens ontbreken gezamenlijke remigratie echtgenoot
De raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank heeft bij besluit van 12 februari 2020 de remigratievoorzieningen aan appellante ingetrokken, omdat haar echtgenoot niet duurzaam met haar naar Armenië is geremigreerd. Hoewel zij samen naar Armenië zijn vertrokken, heeft de echtgenoot zijn huurwoning in Hoofddorp aangehouden en verbleef hij minder dan twee maanden in Armenië zonder een zelfstandige woning te betrekken.
Appellante voerde aan dat de terugkeer van haar echtgenoot naar Nederland noodgedwongen was vanwege medische redenen en dat de intentie tot gezamenlijke remigratie doorslaggevend is, niet de duur van het verblijf. Ook stelde zij dat het ontbreken van eigen woonruimte in Armenië niet uitsluit dat sprake was van remigratie, omdat verblijf bij familie in de Armeense cultuur gebruikelijk is. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelden echter dat de korte verblijfsduur en het aanhouden van de huurwoning in Nederland wijzen op het ontbreken van een gezamenlijke hoofdverblijfplaats in Armenië.
De rechtbank vond het ook niet aannemelijk dat de medische situatie van de echtgenoot een plotselinge terugkeer noodzakelijk maakte, aangezien hij al onder behandeling was voor medische klachten. Het beroep van appellante op dringende redenen om de intrekking niet door te voeren werd verworpen, omdat zij niet voldeed aan alle verplichtingen en er geen fout van de raad van bestuur was. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de remigratievoorzieningen wordt bevestigd omdat geen sprake is van gezamenlijke remigratie.