ECLI:NL:RVS:2021:1927
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 mei 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 7 juli 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 30 april 2021 eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De griffier wees de vreemdeling erop dat het griffierecht betaald moest worden voor de behandeling van het hoger beroep. Ondanks meerdere aanmaningen, waaronder een aangetekende brief, betaalde de vreemdeling het griffierecht niet binnen de gestelde termijn en gaf ook geen redenen aan om hiervan af te wijken.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk is. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 27 augustus 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.