ECLI:NL:RVS:2021:1989
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing uitstel van vertrek vreemdeling
De staatssecretaris heeft op 22 oktober 2019 het verzoek van een vreemdeling om uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar heeft de rechtbank Den Haag op 1 juli 2021 het beroep van de vreemdeling eveneens ongegrond verklaard. Hiertegen stelde de appellant, stellend gemachtigd te zijn namens de vreemdeling op te treden, hoger beroep in bij de Raad van State.
De appellant heeft echter geen bewijs geleverd van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid, ondanks een schriftelijke aanmaning van de griffier om binnen twee weken een ondertekende machtigingsverklaring te overleggen. Zonder deze verklaring is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het aantonen van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij het instellen van hoger beroep in bestuursrechtelijke procedures, met name in vreemdelingenzaken.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtigingsverklaring.