ECLI:NL:RVS:2021:1991

Raad van State

Datum uitspraak
29 maart 2021
Publicatiedatum
7 september 2021
Zaaknummer
202100268/3/V3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Rechters
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:45 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking kennisneming vertrouwelijke stukken in hoger beroep vreemdeling

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De minister van Buitenlandse Zaken overhandigde vertrouwelijke stukken aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met het verzoek om te bepalen dat alleen de Afdeling kennis mag nemen van deze stukken, vanwege het belang van bescherming van bronnen en onderzoeksmethoden.

De Afdeling overwoog dat er een belangenafweging gemaakt moet worden tussen het belang van partijen om over alle relevante informatie te beschikken en het belang van bescherming van het algemeen belang, derden en onderzoeksmethoden. De Afdeling vond dat de bescherming van geraadpleegde bronnen en gebruikte onderzoekstechnieken zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling om kennis te nemen van de stukken.

Daarom werd het verzoek tot beperkte kennisneming van de vertrouwelijke stukken toegewezen, zodat alleen de Afdeling zelf toegang heeft tot deze stukken. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige geheimhoudingskamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 maart 2021.

Uitkomst: Het verzoek om alleen de Afdeling kennis te laten nemen van vertrouwelijke stukken wordt toegewezen.

Uitspraak

202100268/3/V3.
Datum beslissing: 29 maart 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 december 2020 in zaak nr. NL20.9861 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 december 2020 in zaak nr. NL20.9861.
De minister van Buitenlandse Zaken heeft, op verzoek van de Afdeling krachtens artikel 8:45 van Pro de Awb, de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft de aan het individueel ambtsbericht van 5 september 2017, kenmerk TBI160706.0035, ten grondslag liggende stukken:
1.       een memorandum van 6 juli 2016 van het (toenmalig) Cluster Ambtsberichten en Terugkeer (CAT) aan de Chef de Poste van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden (AKN) te Tbilisi;
2.       een onderzoeksverslag van 22 augustus 2017 van de AKN te Tbilisi;
3.       een nota van de AKN te Tbilisi van 6 oktober 2016 met bjilagen;
4.       een antwoordnota aan de AKN te Tbilisi van 9 maart 2017 met een bijlage (en vertaling).
Overwegingen
1.       De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen.
2.       Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3.       Naar het oordeel van de Afdeling weegt de bescherming van de geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden en -technieken zwaarder dan het belang dat de vreemdeling kennis nemen van de stukken.
4.       De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Van Eck
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2021
488.