Uitspraak
Datum uitspraak: 8 september 2021
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde aan appellant last onder dwangsom en boetes op wegens het gebruik van twee woningen voor prostitutie en kortdurende verhuur, wat in strijd is met het bestemmingsplan en de Huisvestingswet 2014.
Appellant voerde aan dat hij niet wist van het illegale gebruik en dat hij toezicht hield via een protocol en controles, en dat de woningen regulier werden verhuurd. De rechtbank oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij toezicht hield en dat het gebruik niet in strijd was met het bestemmingsplan.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt dat appellant als eigenaar verantwoordelijk is omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist en niet kon weten dat de woningen voor prostitutie en kortdurende verhuur werden gebruikt. Medeplegen werd niet aanvaard omdat het bestuursrecht die figuur niet kent.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom en boetes blijven gehandhaafd.