ECLI:NL:RVS:2021:2046
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- J.Th. Drop
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak inzake onrechtmatige inbewaringstelling vreemdeling en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling uit Ivoorkust werd op 19 april 2021 in bewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling stelde dat de staatssecretaris reeds bij aanvang op de hoogte had moeten zijn van zijn verblijfsstatus in Italië, waardoor de bewaring onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde echter dat de vreemdeling geen documenten of informatie over zijn verblijfsstatus had verstrekt en dat de staatssecretaris pas later via Bureau Dublin informatie ontving.
De Raad van State stelde vast dat de bewaring op 21 april 2021 werd opgeheven nadat Bureau Dublin had bevestigd dat de vreemdeling rechtmatig verblijf had in Italië. De staatssecretaris erkende dat de bewaring een dag te lang heeft geduurd en dat de vreemdeling daarom recht heeft op een schadevergoeding.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende een schadevergoeding van €130 toe. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.244. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling werd onrechtmatig verlengd met één dag, waarvoor een schadevergoeding van €130 werd toegekend.