ECLI:NL:RVS:2021:2067
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit handhaving scootmobielbergingen Willem Dreespark Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen twintig scootmobielbergingen af, omdat de tijdelijke vergunningen verlengd zouden worden. De rechtbank oordeelde dat voor twaalf bergingen de verlenging de legalisatie vormde en handhaving terecht achterwege bleef. Voor zes andere bergingen was de vergunning nog geldig en ook daar was geen handhaving nodig. Voor twee bergingen was de vergunning ingetrokken, maar het college had onvoldoende gemotiveerd waarom niet werd gehandhaafd, waardoor de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigde.
Appellant stelde in hoger beroep dat de bergingen niet meer voor scootmobielen worden gebruikt en dat de noodzaak tot instandhouding is vervallen, mede door nieuwe moderne bergingen en veranderende bewoners. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college onvoldoende inzicht heeft gegeven of de bergingen daadwerkelijk worden gebruikt en of er nog noodzaak is tot instandhouding. Het college had onvoldoende onderbouwd waarom het niet handhavend optrad, waardoor het hoger beroep gegrond is.
De Afdeling vernietigt het besluit op bezwaar van 18 december 2018 en de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen. Het college moet een nieuw besluit nemen waarin per berging wordt aangegeven of deze gebruikt wordt voor scootmobielen en of de noodzaak tot instandhouding bestaat. Tevens moet het college ingaan op de situatie van de twee bergingen met ingetrokken vergunning. Tegen het nieuwe besluit kan alleen beroep bij de Afdeling worden ingesteld. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit op bezwaar wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen met inzicht in het gebruik en de noodzaak van de scootmobielbergingen.