ECLI:NL:RVS:2021:2073
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen kosten bestuursdwang voor verkeerd aanbieden afvalstoffen in Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 6 oktober 2020 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een grote platgemaakte doos te verwijderen die appellant naast een ondergrondse container had geplaatst, in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010. Het college bracht de kosten van €126 voor deze bestuursdwang bij appellant in rekening. Appellant voerde aan dat hij door werkzaamheden in zijn straat geen huisvuil kon aanbieden en daarom genoodzaakt was het afval bij het Nassauplein te plaatsen, waar de container vol was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze omstandigheden appellant niet ontslaan van zijn verplichting om het afval op de juiste wijze aan te bieden. De kosten van bestuursdwang behoren in beginsel voor rekening van de overtreder te komen, en het beroep op de tijdelijke ophouding van huisvuilinzameling en de volle container slaagt niet.
Verder stelde appellant dat hij niet gehoord was in de bezwaarprocedure, maar het college had hem conform artikel 7:3 Awb Pro de mogelijkheid geboden om te reageren op het horen, en appellant had niet binnen de termijn gereageerd. In de beroepsprocedure is appellant alsnog gehoord. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de kosten van bestuursdwang wordt ongegrond verklaard en de kosten blijven voor zijn rekening.